Het was druk deze week op mijn Iatliaanse berg. We waren bezig met het project van de “hervonden boeken”, waarover ik binnenkort eens zal bloggen. Maar al een week ligt het boek van Edmondo de Amicis opengeslagen, laat ik daar maar mee verder gaan. In mijn vorige blog kwam Edmondo de Amicis aan in Den Haag in 1870 met de trekschuit vanuit Delft. Het is een kostelijk hoofdstuk. Ik zal er wat citaten uit weergeven.

Nog in zijn reisplunje loopt hij de eerste avond door de nieuwe wijken van toen: “Het zijn brede en rechte straten met kleine paleizen van vlugge vormen en levendige kleuren met grote vensters zonder jaloezieĂ«n waardoor men de tapijten, de bloemvazen en al het kostbare huisraad in de benedenzalen kan zien… Terwijl ik vlak langs de vensters liep keek ik met de steelse blik naar mijn armzalige reisplunje en ik had spijt dat ik geen handschoenen aan had”.

‘s Avonds loopt de Amicis in de buurt van het Binnenhof, na wat gefilosofeerd te hebben over van Oldenbarneveldt en Jan de Witt, die met zijn broer op de Plaats werd omgebracht “En op dezelfde Plaats werd, de 22ste september 1392, Aleida van Poelgeest, de beminde van Albrecht, graaf van Holland, doodgestoken, en nog wordt de steen vertoond, waarop ze stervend neerviel”. Het is er erg donker: “die lage en zware poorten, die onregelmatige groep van sombere gebouwen, die des nachts, als de maan het water van de vijver beschijnt, een enorm en geheimzinnig kasteel gelijken, geven een indruk van somberheid en weemoed te midden van de anders zo vrolijke en lieve stad… Het Binnenhof wordt ‘s nachts slechts door een paar lantaarns verlicht…. met een zekere beklemdheid gaat men erin, en met een gevoel van verlichting verlaat men het weer”.

De aan grootschalige gebouwen gewende Italiaan vindt alles klein, want: Buiten het Binnenhof heeft Den Haag geen belangrijke monumenten, noch van de oude noch van de nieuwe tijd. Men vindt er enkele standbeelden van vorsten uit het huis van Oranje, een grote en naakte hoofdkerk en een bescheiden koninklijk paleis. Op enkele openbare gebouwen staat een ooievaar afgebeeld, de vogel van het stadswapen. En op de vismarkt wandelen enkele van die vogels ongestoord rond, die een soort publiek eigendom zijn, evenals de beren van Bern en de arenden van Genève”.

De Amicis schrijft veel over het koningshuis, zo interessant dat mijn volgende blog daarover zal gaan. Hij komt daarop als hij door: “het grootste sieraad van Den Haag” loopt: het Haagse Bos. Daar kan hij: “voor het eerst de Nederlandse schone sekse in ogenschouw nemen”. Hij was weinig positief gestemd. Met in zijn ogen nog het beeld van de Italiaanse vrouwen constateert hij: “De schoonheid is een zeldzame bloem in Nederland” (maar hij moet zijn boek verkopen en haast zich er aan toe te voegen) “zowel als overal elders” …. “maar toch zag ik hier in een kring van honderd passen meer schone vrouwen bij elkander dan ik er op al de schilderijen der Nederlandse musea gezien heb”. Let op, dames, dit is een beschrijving: herkent u er zich nog in? “Men vindt onder haar noch de klassieke schoonheid der Romeinse noch de lieflijke kleuren der Engelse, noch de levendigheid der Andalusische vrouwen, maar daarentegen een statigheid, een onschuldige en vriendelijke sierlijkheid, een rustige bevalligheid, die behaagt en haar een eigenaardige aantrekkelijkheid geeft”.  De Amicis had weinig  gereisd: hij hanteert hier clichĂ©’s, hoewel het in die dagen in ItaliĂ« barstte van rondreizende, zeer dure Engelse dames uit de hogere en de hogere middenklasse die allemaal de kunst en de klassieken bestudeerden. Nog is Pompei een van de weinige plekken waar je met Engels terecht kunt.

De Nederlandse, en speciaal de Haagse vrouwen, want hij ziet ze in het Haagse Bos: “zijn eerder groot dan klein, en welgevuld; ze hebben onregelmatige trekken, een gladde en fijne huid, wit als marmer en zo prachtig rood, als ware het haar (persoonlijk voornaamwoord!) uit engelenmond aangeblazen, ze hebben de wangen goed gevuld, de ogen lichtblauw, vaak zeer licht, ja, soms bijna als glas, wat aan haar blik iets zwevends geeft, als van iemand die wat verstrooid is. Men zegt dat ze geen schone tanden hebben doch daar kan ik niets van zeggen, daar ik ze niet heb zien lachen. Hun tred is minder licht dan die der Francaises en minder stijf dan die der Engelse dames; ze kleden zich naar de Parijse mode, in Den Haag met meer smaak maar minder rijk dan te Amsterdam, en hun blonde haardos weten ze schitterend te doen uitkomen”.

Na deze beschrijving constateert Edmondo de Amicis, in Den Haag in 1870, dat hij zich verwondert (het gaat nog steeds over Haagse dames): “nog in korte jurkjes gekleed te zien meisjes die bij ons al de kleding en het voorkomen hebben van volslagen dames. In Nederland, waar het leven langzaam en het ongeduld onbekend is, hebben jonge meisjes geen haast om de kinderschoenen uit te trekken… zelden trouwt een meisje voor haar twintigste”. Hij is verwonderd dat “spoedig in het oog valt”, dat er -behalve in Amsterdam- een afwezigheid is van de elegante prostitutie. Maar, zeggen wat Haagse vrijdenkers: “Vergeet niet dat dat ge in een protestant land zijt, er loopt veel veinzerij onder”.

Laten we het vandaag daar maar bij laten.

  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op Digg Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Hyves Voeg toe aan je Facebook-profiel Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner Plaats dit bericht op Twitter