Haagse auteurs (12) – Alfred Birney

Alfred Birney’s verre voorvaderen kwamen uit Schotland. In Nederlands-Indië hadden ze plantages. Zijn vader is afkomstig uit Surabaya en heeft – behalve Schotse – Nederlandse, Chinese en Oost-Javaanse wortels.

Alfred Birney groeide op in Den Haag, zat van zijn 14e tot zijn 18e in internaten, werd musicus en gitaarleraar, maar moest dat opgeven door een onherstelbare beschadiging aan zijn linkerhand. Hij begon serieus te schrijven, al eerder had hij verhalen geschreven, maar die had hij weggegooid.

Paagmanprijs
Zijn debuut in 1987 was Tamara’s Lunapark. Het gaat over een 30-jarige tekenaar in een flat en op de muren zijn leven in kaart brengt. “Alfred Birney is iemand van wie we nog veel kunnen verwachten” schreef de Arnhemse Courant. En had daarmee gelijk, er verscheen een stroom aan verhalen, romans, essays en columns.

Zijn thema’s zijn vervreemding van familie, het onvermogen tot identificatie met moeder- of vaderland, de koloniale geschiedenis, het postkoloniale leven, het internaatleven, muziek, verlating en macht en onmacht. In 1991 kreeg hij voor zijn oeuvre, dat toen vier jaar besloeg, de literaire G.W.J. Paagmanprijs die voorgezeten werd door Aad Nuis.

In 1998 verscheen de bloemlezing Oost-Indische inkt, 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, die veel polemiek veroorzaakte binnen kringen van de Indische literatuur. Met Marion Bloem, Adriaan van Dis, Theodoor Holman en Ernst Jansz wordt Birney gerekend tot de Tweede Generatie Indische schrijvers.

De tolk van Java
Maart 2016 verscheen zijn hoofdwerk, ‘De tolk van Java’. In maart 2017 kreeg het de Henriëtte Roland Holst prijs en in mei de Libris Literatuur Prijs 2017. Uit handen van minister Jet Bussemaker ontving Alfred Birney een bronzen legpenning en een bedrag van 50.000 euro. De tolk van Java is een vader-zoon roman over het koloniale verleden in Nederlands-Indië en in het bijzonder de burgeroorlog van 1945 tot 1949.

Afgelopen zondag werd Birney in Boekhandel Paagman in zijn thuisstad over het boek geïnterviewd door Arjan Peters (Volkskrant). Het zaaltje zal volgepakt. Fabian Paagman, de boekhandelaar, was trots dat hij de auteur mocht aankondigen. “Het is een speciale winnaar van de literatuurprijs. Hij komt uit Den Haag en hij won al eerder de G.W.J. Paagmanprijs.”

Verhaal moest verteld worden
Peters: “Je gaat nu van zaal naar zaal, van boekhandel naar bibliotheek. Hoe voelt dat?” Birney zei dat wel prettig te vinden. “Je gaat een beetje kijken naar je lezers. Wie zijn dat?” Hij had 3,5 – 4 jaar over het boek gedaan. Het verhaal moest verteld worden na eerdere romans en verhalen over Nederlands-Indië.

“Vroeger vertelde ik het een beetje, maar nu moest alles er uit. Je moet als schrijver technisch vrij ver zijn om dat te kunnen. Je moet er daarnaast ook emotioneel aan toe zijn. Ik heb alle literaire conventies laten varen, ik schreef het vanuit mijn hart. Dat moet je durven. Je haalt alles omhoog, je doorleeft het weer, je hebt nachtmerries. Je neemt een pilletje, valium, en dat slik je met een colaatje door zodat je niet suf wordt. Dan ga je afgrijselijke dingen opschrijven. Ik was in een light Zen situatie toen ik dat deed.”

In de dekolonisatietijd was er extreem geweld aan beide kanten, de Indonesische vrijheidsstrijders en de Nederlandse soldaten. Zijn vader vocht in die oorlog aan de Nederlandse zijde aanvankelijk. Hij doodde ‘in naam van Oranje’. Toen hij honderd streepjes op zijn geweerkolf had gezet, een voor elke door hem gedode strijder, stopte hij met tellen. Hij emigreerde naar Nederland voordat hij door de Indonesiërs, die hem als landverrader zagen, kon worden vermoord. Daar trouwde hij met een Helmondse schoenmakersdochter. Het werd een rampzalig huwelijk.

Indische samenleving
Peters: “Je vader is in 2005 overleden. In het begin van het boek spreek je je vader aan in de jij-vorm.” Birney: “Hij was een onwettig kind, telg van een rijke plantersfamilie. Hij liep zijn erfenis mis, dat is al snel een paar miljoen. De Indische samenleving was raciaal met rassen en standen, er waren maar liefst zeven verschillende loketten. Zijn moeder was Chinees, in feite is mijn vader dus een Chinees. Hij hoorde bij de Indo-Europeanen en ging in Nederland naar school. Toen zijn vader al vrij jong overleed, zocht hij zijn identiteit bij de Nederlanders. Hij zat op een gemengde school met veel blanken. Boven zijn bed had hij een portret van Koningin Wilhelmina hangen. Hij had nog vier broertjes en zusjes.”

Hij was tegen de Japanners en ging de strijd aan. “Zijn broers dachten: ‘Die japanners zitten er een paar jaar en dan zijn ze weer weg. Laten we het uitzitten’. Zijn zussen zagen er mooi uit en gingen in op de uitnodiging van de Japanse officieren. Ze gingen animeermeisje spelen. Die verhouding met Japanse officieren bracht geld in huis. Het waren geen troostmeisjes, want ze wilden het zelf. Een van de zussen kreeg zelfs een kind. Het waren eerder collaborateurs. Er was dus een scheiding van geesten in de familie. Ik was een tijd geleden in Surabaya en bezocht daar mijn neefje, die deels Japans is. Hij droomt ervan naar Japan te gaan.”

Tante Lieke
Peters: “De vader is tolk in het leger, maar ook de zoon is de tolk van zijn vader in de roman.” Birney: “Ja, Noland is de naam die de Nederlands-Indiër Arto aanneemt. We volgen zijn levensverhaal door de ogen van zijn zoon Alan die op een dag de memoires leest die Arto in de jaren zestig op zijn schrijfmachine tikt. Mijn boek is faction, het zit tussen fact en fiction. Ik ging uitzoeken of datgene wat mijn vader had geschreven waar was. Ik heb het 15 keer opnieuw getikt, soms het taalgebruik veranderd, soms wat fictie erin gebracht.” Peters: “Deed je het om je vader te ‘naderen’? “Je overvalt me met deze vraag. Ik schrijf gevoelsmatig. Soms begrijp ik iets pas na een paar jaar.”

Peters: “Jij bent  de oudste zoon, hij is getraumatiseerd.“ “Van mijn veertiende tot mijn achttiende ging ik naar internaten. Het huwelijk van mijn ouders was slecht, vader sloeg.” Peters: “Je raakte je vader kwijt en bent hem later gaan zoeken. Er zijn korte scenes rond dramatische gebeurtenissen. Heb je het ook zo geschreven?” “Ja, maar elk hoofdstuk is weer anders. De kranten hebben het niet over het derde hoofdstuk, alleen over de verschrikkelijke dingen.” Peters: “Over tante Lieke bijvoorbeeld?” “Ja, tante Lieke, was een van de velen die in de jaren vijftig en zestig van Indië naar hier kwamen. Daar zat van alles tussen, Indische gezinnen, desperado’s, zoals mijn vader, eenzame mensen, waaronder tante Lieke. In haar huis stond de hutkoffer niet uitgepakt. Overal stonden andere koffers, ze was gereed om op elk moment terug te gaan.”

Standbeeldje
Birney kreeg koekjes van tante Lieke. “Ik was toen acht jaar. Op gegeven moment ging ze dood. Ze was opgebaard, dood in haar kist. Ik moest mee en in die kist kijken, ik kon nauwelijks over de rand kijken vanwege mijn lengte. ‘Waarom moet hij mee? vroeg mijn moeder?’ ‘Hij moet weten hoe een lijk eruit ziet.’ Mijn ouders waren het niet met elkaar eens, maar ik moest mee. Ik heb een literair standbeeldje voor tante Lieke, en eigenlijk alle Indische mensen, willen oprichten. Mijn moeder staat voor de Nederlanders die niet willen leren van de geschiedenis, ze snapte er niks van.” Peters: “Begrijp je haar houding dat ze jou en je broer een hand gaf toen ze op bezoek kwam in het internaat?” “Zo vreemd. Misschien heeft Sara Berkeljon van de Volkskrant wel gelijk. Ze had het idee dat wij haar herinnerden aan die vreselijke man die haar zo had mishandeld.”

Caterina Valente
Zijn moeder zong graag, vooral Caterina Valente’s ‘Stranger in Paradise’. Birney zingt het lied. “Caterina Valenta kon alles, zingen gitaarspelen. Peters: “Op het eind chat je met je broer Philip. Hij is in zen, hij zegt, laat het rusten nu, die hele zaak.” “De kans is groot dat ik er nooit meer op terugkom. Ik heb er geen moeite mee om erover te praten. Het is wel genoeg zo. Gisteren dacht ik aan de Brief van Kafka aan zijn vader. Toch maar niet.”

Peters: ”Dus je volgende boek alfred birney -paagmangaat over Caterina Valente?” “Ja, en het wordt geleverd met cd-tje. Wil jij ook niet meedoen?” Peters: “In wat voor rol?” “Een beetje sjieke ober in Saint Tropez. Je bent maar acht seconden in beeld. Je overnacht in een first class hotel.” Uit de zaal: “Wat zou uw vader van het boek vinden?” “Hij zou wel trots zijn omdat ik zijn verhaal heb verteld.” “Uw vader wordt gepresenteerd als de bad guy, maar als lezer krijg je warme gevoelens voor die man.” Birney: “Dat komt door mijn pen. Je moet niet in een woedende staat gaan schrijven. Maar niet alles staat in mijn boek.”

1268 getoond, 443 bekeken

One thought on “Haagse auteurs (12) – Alfred Birney

  1. Ik ben in het bezit van ‘De tolk van Java’ Ik heb de Japanse bezetting en Bersiap periode tot 1950 in Indonesië meegemaakt en er een boekje over geschreven. Dit boekje heet’verhaal van een Sinyo’ en is via Google te downloaden. Dit heb ik aan moesson aangeboden maar nooit een antwoord over gekregen.Is Alfred Birney daar in geinteresseerd?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *