Huilen in Den Haag
Den Haag is geen huilstad, vind ik. Ik kan niet achter gesloten deuren kijken, waar stil verdriet zou kunnen heersen of hevig snikken zelfs de op beschaafd geluidsniveau staande TV overstemt. Nee, ik vind dat weinig voor de Hagenaar die soms erg Engels “stiff upperlipperig” rond loopt. In 020 hadden ze ooit een zangeres die Zwarte Riek heette en die krijsend zong van “Amsterdam huilt, waar het eens heb gelachen”. Een Haagse operazangeres nam het lied over, waardoor het huilen iedereen verging toen “Amsterdam weent, waar het eens heeft gelachen” door de concertzaal klonk. Het lachen verging je trouwens ook, maar dat terzijde.
Ik ben zelf niet zo van dat huilerige, al merk ik, nu ik wat ouder word, dat tranen eerder wegbiggelen dan mij lief is. Toen ik voor de jaarlijkse verplichte feestdag die verjaardag heet van mijn lieve buren een boek kreeg dat “Huilen in Den Haag ” heet, omdat ik, “veel over Den Haag schreef”, was ik dan ook ontroerd en nam mij voor eens heerlijk snotterend, na uiteraard eerst enige bladzijden van Rhijnvis Feith te hebben gelezen om in de stemming te komen- te gaan zitten ontroerd te wezen. Dat lukte niet helemaal. Het boek was te leuk en te opgewekt: hoe men met aangename kout over leed kan praten bewijst dit prentenboek, uitgegeven bij de Witte Uitgeverij in Leiden en in hoofdzaak samengesteld door Mariët Herlé.
Het is een kleurig caleidoscopisch boek met ongelooflijk veel leuke plaatjes. Op de kaft prijkt een muzikant uit de HTM harmonie van destijds die zijn huilende dochter in de beker van zijn tuba heeft gezet. Ik vraag me af hoe ik zou reageren in de beker van een tuba en of er nog wel geluid uit zou komen: met alle verontschuldigingen, een kind is in die situatie net een kurk. Als je vader steeds maar boeboep doet, dan zal er toch wel een naar gevoel optreden in de daarvoor gevoelige lichaamsdelen.
Dan wordt er een aantal onderwerpen behandeld: de ARMOEDE; de echte en de romantische van de Haagse school. Uiteraard treden dan de liefdadigers op die kinderfeesten en tombola’s organiseren, terwijl tevens in 1918 een broodoproer wordt beschreven. We komen bij de “DAKLOZEN EN ZWERVERS ” uit die een plek konden vinden in het HTO, of die in de jaren zestig het kamp van de MILVA’s kraakten. We zien veel armoede, ook de deftige van “The secondhand Rose”, die me toch wel doet denken aan de aardappels in de vioolkist, die ook in het boek op pag.18 zijn afgebeeld.
Na de armoede komt het DIERENLEED, waarin de Scheveningse hondenkarren, de dierenbescherming en de asiels worden behandeld. Tot mijn vreugde zie ik op pag.26 Diann van Faassen die zich een voorbeeldig burger betoont door de poep van haar hond ( wat een leuk beest, Diann) keurig in de vuilnisbak te deponeren. Onze Haagse dichteres geeft het goede voorbeeld. Hopelijk had ze niet net de eerste regels van een nieuw gedicht op de rand van het zakje geschreven. We beleven het sentiment rond de Haagse ooievaar die omkwam in het vuur, toen deze moedervogel haar jongen wilde redden en het grote verdriet rondom de olifant Jenny die in het harnas stierf en waarvoor nu in de Hemsterhuisstraat een monument is opgericht. Tranen met tuiten huilde ik, toen bleek dat niemand meer wist waar Jenny tijdelijk ter aarde werd besteld.
Uitvoerig wordt ingegaan op “Dood en rouw” waarin de kerkhoven en de begrafenis van Koningin-moeder Emma en Troelstra broederlijk (of zusterlijk) op één pagina staan afgebeld. Het “sport-gesnotter” behelst natuurlijk veel ADO, waarbij de degradatie na de verloren wedstrijd tegen RODA JC. de traan was die de emmer deed overlopen.
En Den Haag zou Den Haag niet zijn als er niet veel internationaal gesnotter door de bladzijden en afbeeldingen heen loopt: de Chinezen, de Joden die een lot ondergingen dat het schreien voorbij is. Vooral ook omdat er erg veel arme Joden zijn vermoord: eerst werden de kleine mensen afgevoerd. De Duitse dienstmeisjes kwamen hierheen, de medelanders van nu: en er was veel heimwee en verdriet. Een apart hoofdstukje wordt aan het Binnenhof gewijd: de jonggestorven graaf Jan, de onthoofding van van Oldenbarneveldt, volgens de tekst op het Groene Zoodje, volgens het plaatje op het Binnenhof. En tenslotte nog een hoofdstuk over “Roes en Genot” en “Van de straat”, waar Blonde Dolly nog eens wordt genoemd.
Het is een kijkboek, veel geweldig leuk materiaal, leuk geordend. “Huilen in Den Haag is plaatjes kijken in de sociale geschiedenis van de kleurrijke internationale stad Den Haag met uitstapjes naar heden.” Wie houdt van leuke, onverwachte beeldtaal en beeldassociaties moet dit boek snel aanschaffen.
Helaas is de taalkundige verzorging minder. Ik vind het jammer dat de Witte Uitgeverij uit Leiden geen redacteur heeft ingezet om de wat onhandige, soms zelfs kinderlijke taal van de inleiding op een wat hoger peil te brengen. Dan hadden meteen de kleine foutjes (bij zoveel beeldmateriaal mogen wel eens de teksten bij twee foto’s verwisseld zijn) en andere taalkundige onzorgvuldigheden gecorrigeerd kunnen worden.
Eindoordeel: ik heb met stijgende spanning het boek gelezen en ben daarbij niet aan snotteren toegekomen, daarvoor was de stof te interessant.

Geef een reactie