De Haagse Vrije Academie – Psychopolis 1947-1982

Een van de voornaamste redenen waarom ik het boek ‘Vrijplaats voor de kunsten, De Haagse Vrije Academie – Psychopolis 1947-1982’, het proefschrift van Saskia Gras, graag wilde lezen, is het feit dat flink wat van de Haagse kunstenaars die ik geïnterviewd heb in de serie ‘De wereld van de Haagse kunstenaar’ op die Vrije Academie hebben gezeten.

Bijvoorbeeld Gerard Holthuis, Salam Djaaz, René Haakman, Suzanne Bo, Ingrid Stassen, Aat Verhoog, Frederick Linck, Nies de Vuijst, Natascha Morsink, Ingrid Rollema, Yubi Kirindongo, Marijke van Os, Gerrie Brust Bijmolt, Evert de Vreugd, Grace Wychowanska, Cora Beijersbergen van Henegouwen, Esther van der Wallen en Hans Gritter.

Aat Verhoog was zelfs een tijdje docent en Ingrid Rollema was directeur van 2001 tot 2009.

Twee academies

Den Haag kende lang twee academies: de Koninklijke en de Vrije. De Koninklijke was officieel, je had een getuigschrift van een vooropleiding nodig, je portfolio moest goedgekeurd worden en er moest studiegeld betaald worden. Voor de Vrije Academie gold dat niet. Je hoefde geen diploma’s te hebben, als de inzet er maar was, werd je geaccepteerd. De algehele aanpak was er een stuk vrijer.

Een van de conclusies van Saskia Gras is dat de Vrije Academie desondanks heel veel goede kunstenaars heeft afgeleverd. Ze kregen alleen geen officieel diploma.

Twee hoofdfiguren domineren het – goed en toegankelijk geschreven – verhaal: Livinus van de Bundt, directeur van 1947 tot 1964, en George Lampe, directeur van 1964 tot 1982.

Livinus van de Bundt

Livinus van de Bundt startte de Vrije Academie op de zolder van het Amicitia gebouw aan het Westeinde. Twee kamers en een keuken waren voor Van de Bundt en zijn vrouw, de rest van de zolder, waaronder twee ateliers en een leeszaaltje, was voor de studenten. Het was net na de oorlog, weinig mensen hadden geld. Ook zonder geld kon je beginnen. Vooropleiding hoefde je niet te hebben, enthousiasme, dat telde. Het voorbeeld vormde de Parijse Académies Libres, die los van de officiële Academie, ook zo te werk gingen. De studenten konden zelf bepalen welk tijdstip hen het beste uitkwam en ze mochten ook zelf hun lessen kiezen. Het ging Van de Bundt om de persoonlijke ontplooiing, die zou op deze manier het beste bereikt kunnen worden. Het zou zelfs een ander type mens kunnen opleveren, want het officiële onderwijs, passend in de technologische maatschappij, leverde alleen maar atoombommen op, aldus Van de Bundt.

Jezelf ontdekken

Klassieke leeronderdelen als perspectief en anatomie waren niet zo belangrijk. Er waren wel modellen, maar die moesten heel snel, in een paar minuten, getekend worden. Op die manier kreeg je het karakter van de te tekenen persoon te pakken. Een van de talentvolle studenten was Lotti van der Gaag. Ze kon heel goed boetseren. Daar moest ze vooral mee verder gaan, en ze hoefde geen techniek te leren, want – wie weet – verdween daardoor haar talent. Lotti van der Gaag had, om boodschappen te kunnen doen en de huur te betalen, een baan bij de PTT. Dat is niks, vond Livinus van de Bundt. “Als je moeder de huur betaalt, zorg ik ervoor dat je kosteloos les blijft nemen. Je kunt mee-eten met de pot.” Zo gezegd, zo gedaan. Andere armlastige studenten konden huisknecht worden of assistent van de leraar. Het idee van Van de Bundt (en later ook van Lampe) is dat de kunstenaar al in de student zit. Eigenlijk hoefde niets aangeleerd te worden, de student hoefde alleen zichzelf te ontdekken. Op die manier ontwikkelde de student ook maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, aldus Van de Bundt. Bij Lampe, lag het ietsje anders: de studenten moest wel iets aangeleerd worden en dat was vooral dat ze geholpen werden uit hun vastgeroeste patronen los te breken.

George Lampe

Voor George Lampe, echtgenoot van Vrij Nederland interviewer Bibeb, was de Vrije Academie proeftuin voor de maatschappij, voor hem het ‘militair- kapitalistische complex’. In dat complex speelde de academie de rol van speeltuin. In 1954 verhuisde de academie naar een grote ruimte, een voormalig schoolgebouw aan de Hoefkade 101. Toen kwam er subsidie vrij, zowel van gemeente als rijksoverheid. In de Hoefkade konden de studenten kiezen uit een Bauhaus-achtig programma. Livinus vond dat de vrije kunst ook moest kunnen worden toegepast, er kwamen nieuwe vakken, bijvoorbeeld fotografie. Fotografie werd tot op dat moment niet gezien als kunst. Livinus vond de fotografie echter ‘de volkskunst van de toekomst’. En zo geschiedde, kunnen we nu constateren.

Grenzend aan het pand aan de Hoefkade was de oefenruimte van het Nederlands Danstheater. De studenten, nu in grotere aantallen, jong en oud, rijk en arm, gingen balletmeisjes tekenen. Er kwamen diverse relaties tussen de studenten en de balletmeisjes, die af en toe in een huwelijk eindigden. Livinus, ondertussen, experimenteerde wat af. Hij ging foto’s printen en hippe kleurendia’s maken. Film, dat moest er ook bij, vond hij. Er kwam een Cineworkshop. Ook kwam er ruimte voor ‘kinetische kunst’. Ondertussen was George Lampe al enige jaren (1958) toegetreden tot het lerarencorps. Hij schreef vele kunstrecensies in Vrij Nederland. De psychologie stond voor hem centraal in de kunst. In een goed werk zie je de persoonlijke drijfveer van de maker, aldus Lampe. De juiste mentaliteit, daar ging het om.

Psychopolis

In datzelfde jaar, 1964, verhuisde de Vrije Academie naar De Gheijnstraat. Lampe was directeur. De eerste vier jaar volgde hij nog het spoor van Livinus, maar in 1968 kwam er een ommezwaai. De Vrije Academie werd ‘Psychopolis de Vrije Academie’. De sfeer werd anders. Lampe wilde zo veel mogelijk mensen binnenhalen. ‘Creativiteit moet stromen’, vond hij. Het ging om echte geestverruiming, maar dan zonder drugs. Op bepaalde manier moest de student het deurtje openen van zijn eigen onderbewustzijn. Er kwamen nog steeds modellen, maar die zaten niet meer stil, die gingen dansen. Lampe voerde nieuwe vakken in, waarvan op nummer een ‘Psychomotor’.
Enige malen per week was op de intercom te horen: ’Zo dadelijk begint de Psychomotor in lokaal…’, Wat hield psychomotor in? Lampe: ‘Relax Man, Vrijheid Blijheid’. Anton Martineau, een van de docenten, had in zijn lokaal een boksring gebouwd. Boksen was zijn sport. In boksshirtje en broekje en met zijn rijgschoentjes gaf hij vanaf het podium les, ondertussen boksbewegingen makend. Als hij klaar was met de les, legde hij zijn boksspullen in een locker die hij principieel niet op slot deed. Op een dag maakte hij de locker open: helemaal leeg. Zijn mooie boksspulletjes was hij kwijt. Later vond hij ze terug, als onderdeel van een assemblage van een Amerikaanse studente van Psychopolis.

Hippietijd

Het was chaos en dat was ook de bedoeling. Als nieuwe leerlingen vroegen in welk lokaal ze moesten zijn kregen ze als antwoord: ‘ga maar zoeken’. Ze moesten hun eigen weg in het labyrint vinden. Lampe vond dat studenten leerden van onzekerheid. De studenten beschilderden het hele gebouw in vrolijke kleuren, inclusief de directiekamer. ‘Ik ben tegen elitekunst’, was het motto van Lampe. Er kwamen extra vakken, uiteindelijk waren het er meer dan honderd, waaronder theater-performance, leerbewerking en mode. Maar niet alleen ging het om de vakken zelf, ook om de kruisbestuiving tussen vakken. Je moest niet in je hokje blijven zitten. Het was het hoogtepunt van de hippietijd met vele ‘speak-ins’. Onder de studenten waren ondertussen vele buitenlanders, onder wie Amerikanen en Israeli’s en ook mensen met psychische problemen. Die zouden via de kunst weer gezond kunnen worden, vond Lampe.

In 1976 kwam Frans Zwartjes binnen als docent. Hij gaf filmlessen, Cineworkshops. Er hoefde geen scenario te zijn voor een film en ook de techniek was niet belangrijk, als het ‘echte leven’ maar gevangen werd. Dat gebeurde onder andere door de camera in de lucht te gooien en dan zien wat voor beelden dat opleverde. Er bleken verrassend goede filmpjes tevoorschijn te komen. Zwartjes begon een gevestigde plek binnen de Academie te krijgen. Later (van 1983-1988) zou hij zelfs directeur worden.

Kwaliteit

Eind jaren zeventig was het hoogtepunt van de hippietijd voorbij. Er was een breed gevoel dat er genoeg gepsychologiseerd was, het woordje kwaliteit viel steeds vaker, vaak in verband met het boek van Robert Pirsig, Zen en de Kunst van het Motoronderhoud’. Onderzoek werd een thema. Lampe’s laatste woorden, voordat hij overleed (1982) waren: ‘Psychopolis is geen Labyrint, maar een laboratorium’.

George Lampe werd als directeur opgevolgd door Frans Zwartjes (1983-1988), Bob Bonies (1988-2001), Ingrid Rollema (2001-2009) en tot slot Marie Jeanne de Rooij (2009-2016). En toen was het afgelopen. Het ging als een nachtkaars uit. De raison d’être was verdwenen, studenten werden geballoteerd, net als op andere academies. Experimenteren en onderzoek kon ondertussen ook op de gevestigde academies en de overheden werden steeds zuiniger.

Goede en succesvolle kunstopleiding

Toen Saskia Gras vorige week in het Haags Historisch Museum haar boek, de handelseditie van haar proefschrift presenteerde, in het bijzijn van vele oud-leraren en – leerlingen, kon ze alles overwegend positief zijn over het unieke Haagse experiment dat het tientallen jaren uithield. “De Vrije Academie was een goede en succesvolle kunstopleiding. Het bewees dat toetsen niet noodzakelijk is om kansrijke studenten af te leveren. Belangrijk om succesvol te worden als kunstenaar is het hebben van een goed netwerk en expositiemogelijkheden, en daar zorgde de Vrije Academie volop voor. Van de 900 kunstenaars in Den Haag, is een substantieel deel afkomstig van de Vrije Academie.”

Het Haags Historisch Museum wil graag in enigerlei vorm aandacht gaan besteden aan de Vrije Academie, aldus directeur Marco van Baalen. Er moet wel nog gekeken worden hoe dat precies gaat gebeuren.

Omslag boek Haagse Vrije Academie

 

2164 getoond, 192 bekeken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Om Spam en automatische reacties te voorkomen aub onderstaande beantwoorden *