De wereld van de Haagse kunstenaar, 95 – Nicko Christiansen

Ik zag mooie werken van Nicko Christiansen op de expositie ‘Nicko Christiansen Blues art’ in Marcellos Art Factory and Rock Gallery. Muziek en muziekinstrumenten vormden zijn inspiratiebron zag ik. Niet vreemd voor iemand die zijn hele leven lang al muzikant is. Ik maakte een afspraak om meer over zijn schilderkunst te weten te komen.

Een week na de opening ben ik in zijn huis in Scheveningen. Groene krukjes met schilderingen erop en aan de muren enige van zijn vrolijke, veelkleurige werken waarin altijd wel een muziekinstrument te ontdekken is.

Een doos met verfspullen

Het begon allemaal in oktober/november 2008, vertelt hij. “Een goede vriend van mij, Marcellus Hoornweg zei me ‘Moet je niet eens gaan schilderen’? Hij is zelf schilder, zijn meeste werk is in de stijl van Rembrandt. Hij ziet er ook uit als een 17e eeuwer. We hadden vroeger hetzelfde haar, alleen bij mij is dat vervaagd. Hij was een fan van mijn band ‘Livin’ Blues’ en was ook chauffeur van onze drummer. Hij drumde zelf overigens ook. Ik was al mijn tijd met muziek bezig, repeteren, toeren. Had ik wel tijd daarvoor?”

Maar Marcellus was resoluut. Hij gaf Nicko een doos met acrylverf, kwasten, een grote en een kleine ezel en nodigde hem uit om in het atelier in Hoogvliet bij Rotterdam samen aan de slag te gaan. Ze tekenden daar een piramide die ze gingen inverven. Nicko: “Ik deed het heel voorzichtig. Maar Marcellus kwakte er zo een paar klonters verf tegenaan. ‘Je moet niet te zuinig zijn, joh.’ Toen leerde ik al het belang van spontaniteit en actie.”

Rock en Blues

Een van de weinige dingen die Nicko (Scheveningen, 1950) op de lagere school in Scheveningen leuk vond was tekenen. De meester vond dat hij een grote fantasie had en dacht aan een mogelijk vervolg op de Kunstacademie. Maar de muziek trok meer. In 1960 hoorde hij Little Richard op de radio en hij raakte geïnteresseerd in zwarte rock. En toen hij een paar jaar later echte blues hoorde was hij verkocht. Met John Lagrand vormde hij het bluesduo Indiscrimination.

En vervolgens kwam zijn muziekcarrière goed op gang met de band Livin’ Blues die hits had als wang dang doodle in 1970, lb boogie, 1971 en black liza, 1972. Het was een prachtige tijd. Er werd gespeeld in Nederland en de rest van de wereld, speciaal Oost-Europa. In Polen, Tsjechië, Slowakije en Rusland maakte de band deel uit van wat men als westerse underground beschouwde: Deep Purple, The Rolling Stones en Livin’ Blues. “In Den Haag oefenden we in Club 192. Onze stamkroeg was The Factory in de Prinsestraat. Het was een gezellige boel, ook de jongens van de andere bands liepen er rond.” De topjaren duurden het tot het discotijdperk begon: 1975.

Nicko: “De disco heeft veel live muziek vermoord.” Hij zet nieuwe stappen en vindt het speelplezier weer terug in Dr.Bongobrain. We zien hem met een doktersspiegeltje op zijn hoofd en hoed. “De liedjes schoten er uit.” Bij Wereldstad Radio Rotterdam gaat hij een muziekprogramma presenteren. Livin’ Blues blijft toeren en heeft in 2000 een optreden in het majestueuze Svetlanov Theater in Moskou.

Doodles

Ondertussen maakte hij, als hij aan de telefoon zat, altijd ‘doodles’, tekeningetjes met veel ronde lijnen waarin af en toe een persoon of een instrument in opdook. Hij las veel stripboeken, had een hele verzameling en vond met name de verhalen van Heer Bommel en Tom Poes prachtig. Op een zeker moment, het was 2012, ging hij de doodles inkleuren met viltstift. Hij maakte ze wat groter, waardoor de gezichten, saxofoons, gitaren en drumstellen duidelijker zichtbaar werden. Hij experimenteerde veel. Het werd soms bijna abstract. De gitaar was ideaal, met een beetje fantasie was het een vrouw. De lichamen van personen bestonden aanvankelijk uit een arm en een hand. De kleuren waren soms fluorescerend. De ogen en mond bevonden zich soms erboven of er beneden. De ogen waren aanvankelijk licht met een randje schaduw. Pas later gingen de ogen open. “Ik zag dat een open oog leven aan een figuur geeft, speciaal als je in een zwarte pupil een puntje wit aanstipt. Vooral van vrouwen kreeg ik het commentaar dat er te veel ogen opstonden.”

De schilderkamer

We lopen naar zijn schilderkamer. Het is tegelijkertijd zijn oefenkamer voor de muziek. Er staan vier saxen naast elkaar, een sopraan, alt, tenor en een bariton. Ook zijn hoed (een van zijn vele hoeden) is beschilderd. Er hangen maskers aan de muur, ik zie een Indiaans opperhoofd geschilderd in acryl, zoals in al zijn schilderijen het geval is. We lopen ook even helemaal naar boven, naar de zolder. Een uitklapbare trap gaat naar beneden en dan staan we tussen alle spullen die na de verhuizing van een jaar geleden van de binnenstad van Den Haag naar Scheveningen nog een goede plaats moeten vinden. Hij zit hier ook wel eens te werken en wil, als de winter voorbij is, ook hier vaker schilderen.

Het thema in zijn schilderijen is nog steeds muziek. “Ik ben een muzikant en ik denk als een muzikant. Er is een groot verschil tussen muziek en de schilderkunst. In de muziek is elke seconde beslissend. Als je in de muziek een seconde aarzelt, voelt dat als een inbreuk, een verstoring. Met schilderen maakt dat niet uit. In de loop der tijd wordt je handiger, je maakt zekere lijntjes. Het gaat nu soms de abstracte kant op. In het begin was er meer spontaniteit. Als ik nu meer spontaniteit wil, neem ik wietolie. Dan ga ik knetterstoned schilderen en dan komt er meestal wat bijzonders uit.”

Yin en Yang

Heeft hij veel geëxposeerd? “Ik heb in een aantal cafés geëxposeerd, onder andere het Syndicaat in de Nieuwe Molstraat, waar we ook veel speelden. En in de Utrechtse Jaarbeurs. De directeur ervan was een Livin’ Blues fan. Ik kreeg zelfs twee stands voor twee dagen. Ik heb toen veel verkocht aan buitenlanders, onder andere in Rusland en Oost-Europa. Met Livin’ Blues Xperience, de opvolger van Livin’ Blues sinds 2005, gingen we vaak die kanten op, maar ook naar andere landen als Spanje, Scandinavië, Denemarken, Duitsland, Indonesië en Thailand.

De muziek bracht ook een ongezond en onregelmatig leven met zich mee. Hij deed al aan Kempo en karate, in 1968, toen hij 17/18 was. In 1975 maakt hij kennis met Tai Chi. Als vanzelf ging hij een regelmatiger leven leiden. Een jaar of vijftien geleden verdiepte hij nog meer in de oosterse filosofie en oosterse vechtkunst, met name in taoïsme en zen-boeddhisme. “Ik leerde over Yin en Yang. Dan kom je erachter dat er niet alleen maar positieve dingen zijn, noch alleen maar negatieve dingen. In alle negatiefs zit ook iets positiefs. Het is de strijd tussen het licht en donker, mensen kunnen nooit zonder strijd, maar het licht geeft hoop.”

1422 getoond, 83 bekeken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Om Spam en automatische reacties te voorkomen aub onderstaande beantwoorden *