De wereld van de Haagse kunstenaar, 85 – Felice Vermeire

Felice aan het werk

Felice aan het werk

Felice Vermeire (5 mei 1945, Bevrijdingsdag) werkt in hout, steen en gemengde techniek. Hout is er volop rond haar atelier, want ze woont en werkt op het landgoed Oosterbeek, op de grens van Den Haag en Wassenaar, vlak voor de nieuwe locatie van de Amerikaanse ambassade. Het raam op het Noorden kijkt er op uit. Het atelier staat vol met werk van haar hand en er hangen foto’s aan de muur van haar ouders die in hetzelfde atelier werkten. Op een schilderij van Lisette van Meeteren zijn ze te zien. “Mijn vader is goed getroffen, mijn moeder staat er ietsje te netjes op.”

Felice Vermeire werkt vanuit het materiaal. “En taille direct, heet dat. In elke steen zit al een vorm. Niet veel mensen zien dat, maar ik kan niet anders. Ik werk met speksteen, serpentijn, albast en marmer. Dan heb ik een stuk speksteen en zie daar een olifant in, of een vis, of een kop van een mens.”

Blockheads en Tribalheads
Met de ruwe steen gaat ze naar een hakhok aan het eind van de gang. En dan begint de reis, met de beitel en de klopper tast zij de vorm af tot zij de ruwe vorm heeft gevonden en dan gaat het verder met de raspen en vijlen. Daarna kan het fijne werk van schuren, polijsten en in de was zetten starten. Dat is vaak een langdurig proces. Harde stenen als marmer bewerkt zij machinaal. We lopen even naar het hok. Ik zie verschillende steensoorten en het gereedschap. Veel gereedschap is nog van haar grootvader geweest. “Ik ben zeker geïnspireerd door zijn werk.” Ze laat me het een en ander van hem zien. “Bij zijn koppen liet hij vaak een ruwe steen staan als haar. Hij was, net als veel tijdgenoten, geïnspireerd door Afrikaanse en Aziatische kunst en vooral maskers. Vandaar de lange neuzen in zijn koppen.”

Ze neemt foto’s van de ruwe stenen, weegt ze en neemt de maat en gaat dan aan de slag. Vervolgens komen er koppen, torso’s, vogeltjes, dolfijnen, zwanen, olifanten en vormen met en zonder gat cirkels met een gat tevoorschijn. Haar zoon, Nils, nam ooit 50 kilo marmer mee uit de marmergroeven van Carara. Daar kon ze mee vooruit. Soms geeft het materiaal cadeautjes. “Het verrast me altijd weer hoe er tijdens het polijsten van de steen tot dan toe onzichtbare aders en kleuren tevoorschijn komen. Dat is werkelijk fascinerend.”  Heel bijzonder zijn haar Blockheads. “Ik wist nooit wat ik met rechte stukken materiaal aan moest, maar ik had wel een paar fijne stukken. Toen ben ik gaan experimenteren met resten Gibo (gipsbeton). Ik kreeg het idee te gaan werken vanuit de rand van zo’n stuk. Ik maakte wenkbrauwen, een neus, een mond, een kaaklijn en kin. En waarachtig, het werd iets bijzonders. Ik ben er verder mee gaan spelen en er kwam een hele reeks. De oorspronkelijke gibo blokken heb ik in de kleuren van de regenboog geverfd en ook nog in hout gemaakt. In die tijd zijn ook de Tribalheads en de Voorouder Beeldjes ontstaan.”

Gandalf
Allerlei soorten bomen staan rond haar atelier: beuk, eik en kastanje. Maar daarnaast ook es, esdoorn, lijsterbes, pruimenboom, appelboom, fluweelboom, treurbeuk, krulhazelaar en vogelkers. Ze zaagt stukken van omgewaaide bomen en gaat met de vormen aan de slag, maakt er bijvoorbeeld stapelingen van, of combineert het met een kronkelige tak. Ook hier weer vogeltjes, torso’s en gezichten.

Aan de muur hangt Gandalf, een prehistorische man met een Assyrische baard. “Die baard zat al in het hout, de boom, Treurbeuk, had een verdediging tegen de ingroei van zwammen opgebouwd en de zwarte lijnen in de baard zijn het resultaat.” Van een stuk pruimenhout maakte ze een vrouw, maar zat een lelijke knoest op de plaats van haar buik die ze verwijderde en zo werd het ‘Het Lege Nest’. Een vogelkers met wijde wortels werd getransformeerd in ‘De Poorten van Babel’, een stuk beuk met een verdikking werd ‘Een zwangere buik’ en een dode Wilde Appel met vier takken werd ‘Stamboom, vier generaties in de kunst.’

Marionettentheater
De eerste generatie die in de kunst zat, hebben we al gezien, grootvader Jules Vermeire. De tweede is die van haar ouders. Zij waren bekende poppenspelers die met hun ‘Don & Ly Vermeire’s Marionettentheater’ door heel het land trokken. En ze gingen ook regelmatig de grens over, door Europa, en nog verder naar Suriname, de Antillen, India en Pakistan. Er waren voorstellingen ook in musea, zoals het Museum voor het Onderwijs, nu Museon en het Gemeentemuseum Den Haag met de titel ‘De bonte wereld van het poppenspel’. Het betreffende affiche hangt nog aan de muur. Ook werd er films gemaakt voor onder andere de Shell. Ik zie nog drie poppen van haar ouders hangen: de fakir met de fluit, de magere Pantalone (de vrek) en de Ezelman uit Die Kluge van Karl Orff, de edelman. Er zijn niet veel poppen meer, maar tijdens de laatste opruiming van de door de tand des tijds aangetaste marionetten heeft Felice een mooie serie handjes overgehouden die nu deel uitmaken van een werk in een lijst (geïnspireerd op een penning van Willem Vis) met als titel ‘Gered Gereedschap’. De derde generatie Vermeire is Felice zelf en de vierde is haar zoon, Nils Vermeire, die inmiddels al een reeks films heeft gemaakt. Generatie vijf: drie kleinkinderen die in films spelen en graag in het atelier knutselen.

Weven
Het verbaast niet dat Felice, naar eigen zeggen, haar hele leven al kunstenaar is. “Ik heb altijd gepriegeld en geprutst. Al jong maakte ik van plasticine, een soort klei, poppetjes. Daarnaast was ik altijd aan het tekenen. Ik kwam graag bij mijn ouders in het atelier. Dan mocht ik meewerken. Ik heb koppen van klei afgegoten in gips, die ik vervolgens met papier-maché vulde. Je krijgt de sfeer mee. Na de middelbare school wilde ik eerst kleuterjuf worden, maar dat liet ik al snel vallen. Ik deed een beroepskeuzetest en daaruit kwam dat ik iets creatiefs moest gaan doen. Ik wilde ook graag zelfstandig op kamers, dus ik ging niet naar de Koninklijke Academie in Den Haag, maar naar de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam en vervolgens naar de Gerrit Rietveld Academie, afdeling weven en textiel. Ik deed eindexamen Weven. Meteen een onderwijsakte halen lukte niet, er was een regeling van het ministerie die die mogelijkheid schrapte, dus ik moest op een andere manier geld verdienen en ging aan de slag om opdrachten binnen te halen.”

Al in het eindexamenjaar had ze een werk aan het Stedelijk Museum verkocht, een vijf meter lang glasgordijn. “Met materiaal dat zichzelf vasthoudt.” Van een apotheker kreeg ze een opdracht een groot vloerkleed te maken van Kelim. Ze beschikte over een groot en een klein weefgetouw. “Ik heb veel geweven en gebatikt. Ik maakte een tijdje deel uit van een kunstenaarscollectief dat werkte vanuit het pand van het huidige Arti-Shock in Rijswijk. Ze werkte bij Lisette van Meeteren in haar theater atelier in de Denneweg, maakte daar maskers voor de mimespeler Rob van Reijn. “Onder andere voor de voorstelling ‘De knecht van twee meesters’. En de beroemde ‘medaillejas’ van Paul van Vliet.

Hakken in Kalksteen
In 1978 ging ze naar Zaanstad. “Ik was gescheiden, zat daar in mijn eentje met kind. Ik moest daar werk vinden, haalde mijn Akte K en Akte U en heb tien jaar Handvaardigheid gegeven in het Zaanse onderwijs, van  basisonderwijs, LOM tot ZLMK. Toen kwam ik in de WAO, burn out. Ik wilde wel wat doen en ging pottenbakken, zijdeschilderen en fotograferen. Dat was een moeilijke tijd. In 1993 ging ik terug naar Den Haag. In 2000 was ik weer terug in het oude atelier op het Landgoed Oosterbeek. Ik kon gaan wonen naast mijn vader en moeder. Ik zocht naar iets nieuws voor mezelf. Een vriendin uit Voorschoten tipte me dat er daar een leuke cursus was: de ‘Workshop Hakken in Kalksteen’ bij de Academie De Vlietstreek bij Peter van Loon. Was dat niets voor mij? Het bleek een schot in de roos te zijn. Ik hak nog steeds. Toen ik begon rook ik weer de geur van steen, ik voelde het vertrouwde gereedschap, het was alsof ik het mijn hele leven had gedaan. ‘Dat had ik meteen moeten doen’, dacht ik. Mijn grootvader had het nog wel gezegd: ‘Een opleiding heb je niet nodig. Ga aan de slag. Als het erin zit, komt het er vanzelf uit.’ Zijn motto was: ‘Inspiratie bestaat niet.  Ga maar aan ’t werk, dan komt ’t vanzelf.’ Achteraf gezien had hij gelijk. Kennelijk zit het in mij genen. Ik formuleer het ook wel als ‘wat mijn hoofd niet weet, weten mijn handen wel’.”

Hoe ervaart zij het kunstleven? “Ik ben opgeleid als autonoom kunstenaar, maar als industrieel ontwerper. Ik heb veel zelf moeten uitvinden. Over calculatie, een prijs vragen voor een werk, heb ik niets geleerd. Mijn grootvader was autonoom kunstenaar, maar had wel een galeriehouder, die zijn werk afnam, en een mecenas. Bovendien betaalde hij vaak rekeningen met een beeld. Daarnaast werkte mijn grootmoeder in een kunstnijverheidswinkel, dat was hun basisinkomen. Ik pleit voor een basisinkomen voor alle mensen, in het bijzonder kunstenaars. Er zijn nauwelijks kunstenaars die van hun werk kunnen leven. Bijbaantjes gaan ten koste van de kunst.”

Doe dat waar je hart ligt
Tot slot, wat is haar filosofie? “Mijn filosofie zie je in mijn werk. Geen overbodige lijntjes en de vormen zijn organisch. Mijn advies: doe dat waar je hart ligt. Als je dat doet, komt er iets moois uit. Als iets niet goed is, ben je je eigen beste criticus.”

 

585 getoond, 75 bekeken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *