Wim Willems over Ru Paré in de Haagse Kunstkring

Wim Willems in de Haagse Kunstkring, foto’s: Haagse Kunstkring/Ellen Fernhout

Vorige week was er in de Haagse Kunstkring een lezing  ‘Ru Paré, een topvrouw in de Haagsche Kunstkring’ door historicus Wim Willems, biograaf van Ru Paré. 

Het was een van de activiteiten waarmee de kunstenaar en verzetsheldin Ru Paré dit jaar wordt geëerd. Behalve de biografie door Wim Willems waren er tentoonstellingen in Pulchri Studio en het Museon.

Ellen Fernhout, die de lezing inleidde, vertelde dat Ru Paré 15 jaar lid was van afdeling Beeldende Kunst van de Kunstkring en jarenlang gedreven secretaris was geweest. Zij was hoog geprezen. Ze stapte op toen de Kunstkring lid werd van de Kultuurkamer. Ze bracht ook onder de aandacht dat Ru ten onrechte uit het geheugen van de Kring geschrapt bleek te zijn. De HKK toont zich überhaupt niet zo bewust van haar rijke verleden: “Er is nog steeds geen monografie over de Kunstkring. Er is genoeg materiaal in het archief. Het is een kwestie van even goed ‘doorpakken’.”

Hanneke Gelderblom-Lankhout 

Willems had het archief van de Kunstkring doorgenomen op de naam Ru Paré, vertelde hij. “Mensen van de Kunstkring droegen nog een stropdas en een vest.” Hoe hij op ’t idee was gekomen? “Toen ik met een ander boek bezig was, over Joden op de Harstenhoekweg, kwam ik in contact met de stichting Open Joodse Huizen. Ik hoorde van Hanneke Gelderblom-Lankhout interessante verhalen, onder andere over Ru Paré. Ze woonde in de oorlog in de Cypresstraat. Toen de Duitsers Haagse joden zochten, sloeg haar vader op de vlucht, haar broertje kon via Ru Paré onderduiken. Eerst op een adres in de Papestraat, vervolgens in Loosduinen. De belangstelling voor het beeldend werk van Ru Paré is in de loop der jaren weggeëbd. Nu is er weer volop aandacht met een oeuvre tentoonstelling in de Mesdagzaal van Pulchri Studio, georganiseerd samen met de Ru Paré Stichting. Het lukte de stichting niet een boek over haar werk te realiseren. Ze heeft geen dagboek bijgehouden, wel een agenda met afspraken, er zijn brieven bewaard gebleven.”

Gegoede familie

Toen hij voor het eerst over de activiteiten van Ru Paré hoorde, dacht hij “Mooi, een onbekende vrouw uit Den Haag. Over vrouwen in het verzet is weinig gepubliceerd, het enige wat we hebben is het ‘Meisje met het rode haar’, Hannie Schaft en de geschiedenis van Soldaat van Oranje.”

Er verschijnen twee plaatjes op het scherm. Het geboortehuis in Druten en het plaatje van een fabriek. Ru Paré werd geboren in Druten in 1896 en woonde in een woning die er nog steeds staat aan de Waalbandijk. Ze was het derde kind van de familie Paré en kreeg de namen Henrica Maria, vernoemd naar een tante. De echtgenoot van de tante was evenwel ‘not amused’ daarmee, en daarom kreeg ze al snel de naam ‘Zus’. Zus Paré, een aantal jaar later noemde ze zich Ru. Vader Paré kwam uit een gegoede familie. Hij was steenfabrikant, en maakte gebruik van het zandslib uit de Waal. We zien een foto van een van zijn fabrieken, de ‘Boschoven’. Daarnaast had hij een tweede steenfabriek. Hij was behoorlijk kapitaalkrachtig. Als Ru vier jaar is, verhuist de familie naar Nijmegen, van de ene villa, naar de andere (duurdere) villa.

De MMS

Ru gaat na de lagere school naar de MMS in Arnhem, volgde daarnaast op die school ook de ‘Tekenklas’. Voor tekenen had ze talent en ook ambitie. Als ze 16/17 is gaat ze lessen volgen van de aquarellist/etser/fotograaf Jan van Vucht Tijssen, die vrij klassieke werken maakte. Ze is altijd met hem bevriend gebleven. Hij raadde haar aan haar vleugels uit te spreiden en dat kon door of naar Amsterdam, of naar Den Haag te gaan. Den Haag was toentertijd de Culturele Hoofdstad van Nederland.

We zien een foto van het gezin Paré aan het strand met strandstoelen erachter, Ru links op de foto met een Virginia Woolf-achtig gezicht in een witte jurk. En ook een foto van Ru met enkele Arnhemse medeleerlingen. “Een energieke jonge vrouw”, aldus Willems.

Den Haag

Ru koos voor Den Haag. Willems zocht in de archieven naar haar naam, maar kwam haar niet tegen. Ze ging les nemen in het atelier van Albert Roelofs, zijn vader Willem was een bekende impressionist en maakte deel uit van ‘de Haagse School’. Een van haar medeleerlingen was Jeanne Bieruma-Oosting. In haar archief vond Willems foto’s van Jeanne met onder andere Ru, “mooie jonge vrouwen”. Ru bleek een ‘geheim dagboekje’ bij te houden. Ru Paré ging ‘autocratisch’ te werk, ze concentreerde zich ten volle op haar werk. In 1920 overlijdt Albert Roelofs. Ru moest op zoek naar een andere leermeester. Ze kwam terecht bij Willem van Konijnenburg, een dandy-achtig persoon, en toen de cultuurpaus van Den Haag en omstreken. Hij werkte in het Hofje van Nieuwkoop. Ru stapte met een map met werk op hem af en ging er lessen nemen. Daarnaast ging ze langs bij Han van Meegeren, een gewaardeerd kunstenaar in Den Haag, die wel iets in haar zag en Jan Toorop die ze nog kende uit Nijmegen. Toorop vond het werk van Paré  vrij goed en interessant.

Bij de opening van de Ru Paré tentoonstelling in Pulchri, kwam Willems een paar joodse kinderen tegen die Ru Paré in de oorlog had helpen onderduiken en hun nazaten. Een van die joodse kinderen was Sam Drukker. Hij sprak lovend over het werk van Paré: “Haar portretten zijn prachtig. In de portretten, maar ook in ander werk is ze vooral met vorm bezig.”

Naar Frankrijk

Toen haar ouders overleden, waarmee ze een goede band had, erfde Ru veel geld. Tekenend is dat ze als schilder nooit opdrachten heeft gedaan, wat andere schilders wel deden/moesten doen. We zien afbeeldingen van stillevens met fruit en schilderijen van bloemen en planten, werk waarvoor ze geprezen werd, het werk werd vergeleken met dat van Matisse.

Van begin af aan ging ze exposeren. De critici hadden het over het werk van mej. H.M. Paré, “Fijn geschilderd werk”. Een ander thema waren zeilschepen en havengezichten. In 1920 maakte ze een trip naar Honfleur in Normandië en in de jaren erna gaat ze vaak terug naar Frankrijk en ook naar Spanje. Na een aantal jaar wordt het werk abstracter, maar je ziet nog wel (scheeps)zeilen bijvoorbeeld.

Het exposeren bleef ze doen tot 1941, het is te vinden in de catalogi van de Kunstkring. Ook ontbrak Ru zelden in exposities van de Amsterdams-Haagse kunstenaarsvereniging ‘De Onafhankelijken’, onder meer in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Haar omgeving

Wie zaten er in haar Umwelt? Een belangrijke persoon is Theodora Versteegh, een klassieke zangeres die uit Tiel kwam. Zij zong vaak de Mattheus Passion en maakte onder andere deel uit van het Jo Vincent Kwartet. In 1919 ging Theodora naar Den Haag en kwam te wonen in een opvanghuis tehuis in het Statenkwartier waar ook Ru Paré woonde. Tussen Ru en Dora ontwikkelde zich een romantische vriendschap, waarschijnlijk was er sprake van een lesbische relatie. Na de oorlog gingen de twee samenwonen. In naspeuringen stutte Willems in België op een doos met zakagenda’s van Ru Paré uit de periode 1927-1972. Ru noteerde daarin alle afspraken. Dora (Dootje) komt veelvuldig voor, de vriendschap is goed te volgen. In 1920 kopen Ru’s ouders een huis in het Statenkwartier in de Van Beuningenstraat, nr. 75. Dora krijgt ook een etage.

Daarnaast kreeg Ru een verhouding met Henri Lankhout, directeur van een drukkerij, en kunstmecenas. Lankhout, een joodse man, was getrouwd, maar verloor een dochtertje. Er is wel gesuggereerd dat dat er toe geleid heeft dat zijn huwelijk niet meer werkte. Hij ging met Ru naar de film en ging met haar eten. Langzaam groeiden ze naar elkaar toe. Zeven jaar lang hadden ze een verhouding. Ze gingen samen op vakantie, naar Frankrijk vooral. Zijn gezondheid werd slechter en hij overlijdt in 1938 in Cannes in haar armen. Ook na de oorlog bleef Ru naar Frankrijk gaan, nu vooral naar Parijs met Dora.

Andere belangrijke personen in haar omgeving waren Chris Lebeau, een ontwerper, kunstschilder en anarchist en Christiaan de Moor. Lebeau hielp haar in de oorlog met het vervalsen van persoonsbewijzen. Christiaan de Moor, kunstenaar en postzegelontwerper, was in de dertiger jaren betrokken bij de plannen voor de oprichting van een Vrije Academie in Den Haag. We zien een plaatje van een jong model dat Ru tekende en dat ook door Christiaan de Moor was getekend vanuit een enigszins andere hoek. Wim Willems zag het toen hij op de zolder van dochter Laura de Moor in de Archipelbuurt mocht rondkijken.

Ru Paré maakte in de jaren ’30 een zelfportret, dat de Kunstkring ook bij de uitnodiging van deze bijeenkomst gebruikte. Willems vindt haar er ‘mannelijk’ op uitzien.

De oorlog

De oorlog breekt aan. De Duitsers bezetten Nederland. Het huis in Van Beuningenstraat wordt gevorderd voor de bouw van de Atlantikwall. Juni 1942 krijgen kunstenaars en kunstinstellingen een brief waarin gevraagd wordt lid van de Kultuurkamer te worden. De Kultuurkamer was een door de Duitsers ingesteld instituut waar kunstenaars bij aangesloten moesten zijn om te mogen werken. Paré schrijft met haar vulpen dwars door de tekst ‘Neen’, Dora doet hetzelfde. We zien het op het formulier. Het bestuur van de Kunstkring met de heer Wegerif als voorzitter was ambivalent. Men twijfelde, maar gezien de noodzaak voor een aantal leden inkomsten te houden, besloot de HKK uiteindelijk wel lid te worden. Ru Paré bedankte onmiddellijk voor het lidmaatschap van de HKK. De Kunstkring had zich geëncanailleerd met de Duitsers, een kwalijke zaak, vond ze.

Ru Paré ging joodse kinderen redden van deportatie naar Duitse kampen. Ze bouwde haar schilderkist om tot een wapen voor de illegaliteit. Boven in de kist bleef ruimte voor penselen en verf, eronder kwam ruimte voor persoonsbewijzen en distributiebonnen. De kist plaatse ze op de bagagedrager van haar Fongers fiets. Met een kind op de kist fietste ze naar onderduikadressen die ze had gekregen van pastoors en dominees. Een maal per maand bezocht ze de kinderen, die haar kenden als Tante Zus.

Elisa’s vlucht

Een belangrijke locatie vormde het restaurant van Elisa, ‘Elisa’s vlucht’ in de Molenstraat, bij het poortje naar Paleis Noordeinde. Achterin het pand was een kelder waar mensen uit het Haags verzet bijeenkwamen. Rie Cramer, de kinderboekenschrijfster en illustratrice, heeft erover geschreven. Ru Paré zat er wel vier keer per week. Ze ontmoette er allerlei mensen die zich bij het verzet en het lot van joodse mensen betrokken waren. In Ru’s netwerk zaten honderden vrouwen. Zo kreeg ze de namen van 52 kinderen die ergens ondergebracht moesten worden. Een aantal kinderen, waaronder een kind van Henri Lankhout, kwam van een Montessorischool uit Bezuidenhout, waar veel joodse kinderen woonden. Omdat joodse kinderen niet meer het regulier onderwijs mochten volgen, zaten ze op een door hun ouders geïmproviseerd Montessorischooltje boven Café de Uiver, in de Rijnstraat tegenover station Staatsspoor (het latere Centraal Station). Twintig kinderen kregen daar onderwijs, onder andere de latere schrijfster Andreas Burnier.

Na de oorlog gingen de kinderen terug naar hun familie voor zover dat kon of werden ze in pleeggezinnen ondergebracht. Velen gingen naar Israel, waaronder zeven kinderen die in Bilthoven waren ondergebracht.

Naar Israel

November ’45 kunnen Ru en Dora weer hun huis in de Van Beuningenstraat betrekken. Ze blijven reizen maken naar Frankrijk die zo’n drie tot zes weken duren. Na ’51 exposeert Ru niet meer, ze blijft wel schilderen, abstracte werken van Spaanse huizen bijvoorbeeld. Een deel van haar onderduikkinderen had zich in Israel gevestigd. Begin jaren ’60 nodigde de 20-jarige Levi Kanes haar uit voor een bezoek aan Israel. Ze ging er, na enig aarzelen, graag op in omdat ze zich de moeder van al die kinderen die nu in Israel woonden voelde. In 1968 kreeg ze tijdens een ceremonie in Yad Vashem de onderscheiding ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ en werd daar te harer ere een Johannesbrood boompje geplant. Met de families, onder andere die van Nathan Levi, reisde ze door Israel. Drie dagen bracht ze door in de Negev woestijn en is daar danig van onder de indruk. Ze had het gevoel dat ze bij de genesis van de Aarde was. Het leidde tot een reeks schilderijen die ook bij Pulchri te zien waren. Ze maakt ze met het paletmes, in diverse aarden kleuren, gelijkend op – volgens Willems –  ‘golvende vrouwenbillen’.

Schaatsen over dun ijs

Naar aanleiding van opmerkingen uit de zaal zegt Wim Willems tot slot dat hij geluk heeft gehad met het vinden van de doos van haar agenda’s van tientallen jaren in België. Zonder dat had het boek niet zo levendig en gedetailleerd kunnen worden. “Ik heb geschaatst over flink dun ijs. Als ik het niet gevonden had, had ik gedemotiveerd kunnen raken.”

2126 getoond, 83 bekeken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Om Spam en automatische reacties te voorkomen aub onderstaande beantwoorden *